05 februari 2015, Redactie

CBF-keurmerk goede doelen geen garantie voor zinvolle besteding

Het CBF-keurmerk voor goede doelen is geen garantie voor een zinvolle besteding van donateursbijdragen. Dat concludeert journalist André de Vos van Het Financieele Dagblad.
In het artikel komt onder meer Agnes van Hoesel aan het woord. Zij was jarenlang vrijwilliger voor Make-a-Wish. Van Hoesel ging ervan uit dat minimaal driekwart van het geld naar de doelstelling ging, tot ze ­samen met een accountant in de cijfers dook. “Ik had de indruk dat we steeds meer geld aan de ­eigen organisatie uitgaven zonder dat we meer wensen uitvoerden. Ik wilde weten hoe dat zat”, zegt Van Hoesel in het artikel. “Ik ging ervan uit dat alles wat niet voor fondsenwerving nodig is, naar het vervullen van wensen gaat. Maar daar zitten allerlei kosten bij die ik niet als doelstelling zie. Personeel, kantoor, automatisering. Natuurlijk moet je dat hebben, maar die kosten moeten in verhouding zijn en je kunt ze niet zomaar aan de doelstelling toeschrijven, vind ik.”

Vergelijken
Vervolgens kijkt de journalist naar een aantal vergelijkingssites. Independer vergelijkt ruim zevenduizend goede doelen op basis van de Goededoelenmonitor van de Kennisbank Filantropie. Vrijwel alle vergelijkers geven ook financiële informatie. Het CBF Register Goede Doelen geeft aan hoeveel een fonds uitgeeft aan fondsenwerving, maar ook hoeveel er in procenten gaat naar beheer en administratie en, soms, naar het vermogen. Een eenvoudige onderlinge vergelijking tussen de financiën van goede doelen is ondoenlijk. Wie het echt wil weten, moet jaarverslagen bestuderen en vergelijken. De grotere fondsen publiceren hun financiële handel en wandel meestal online en hanteren boekhoudregels die inzicht geven in vermogen en kosten.

De Vos heeft Peter Douwes, directeur van Make-a-Wish, om een reactie gevraagd.  “Het moet integer zijn en het moet kloppen. We proberen zo helder mogelijk te zijn en we hebben een accountant die ons bij de les houdt. In ons jaarverslag kun je alles vinden. Veel transparanter kan het niet. We besteden 74 procent van onze uitgaven aan onze doelstelling. Dat is in lijn met andere goede doelen. Als een vrijwilliger vindt dat we indirecte kosten niet aan de doelstelling mogen toeschrijven, ben ik het daarmee oneens. Wij houden ons aan de systematiek van de sector.”

CBF-keur
De Vos vindt dat die systematiek goede doelen veel ruimte biedt om zelf te bepalen hoe ze hun geld uitgeven. “Onder druk van de publiciteit is er inmiddels een vrijwillige norm voor de beloning van directeuren”, schrijft hij. “Over hoogte en doelmatigheid van de andere uitgaven ligt weinig vast. Er zijn een paar financiële eisen. Om in aanmerking te komen voor de anbi-status, die recht geeft op fiscale voordelen voor gever en goed doel, moet 90 procent van de werkzaamheden ‘een algemeen belang’ dienen. Het CBF-keurmerk, waaraan ruim 250, vooral grotere, goede doelen voldoen, is de bekendste norm. Het keurmerk zegt niets over hoeveel er van de uitgegeven euro naar de ideële doelstelling gaat.”

Jaarcijfers

Ook komen ook de verslaggevingregels aan bod. Voor fondsenwervende goede doelen zijn er verslaggevingsregels van de Raad voor de Jaarverslaggeving. Daarin staat hoe goede doelen hun kosten moeten benoemen en hoeveel reserve er mag worden opgebouwd. De boekhoudregels zijn niet verplicht, maar goede doelen die zijn aangesloten bij het CBF of de Vereniging van Fondsenwervende Instellingen (VFI) of die geld ontvangen van de Nationale Postcodeloterij moeten de regels gebruiken. Tanja Haremaker, accountant bij Mazars, vindt dat de verslaggeving van goede doelen duidelijker kan. “Er is een grijs gebied in de kostentoerekening. Ik vraag me af of de huidige regels nog lang bruikbaar zijn. Ik pleit voor simpele en duidelijke richtlijnen die voor goede doelen praktisch toepasbaar zijn.”

“Het CBF-keurmerk ligt als financiële maatstaf onder vuur”, schrijft De Vos. “Het keurmerk zegt te weinig over de wijze waarop een goed doel met zijn geld omgaat.”

Bron: Filanthropium