07 oktober 2010, Hans Opschoor (ISS/Erasmus Universiteit; Vrije Universiteit)

Naar een nieuwe economische orde

-gastblogger-

Hans J. B. Opschoor

duwen aan duurzaamheid en solidariteit

Toch nog onverwacht reanimeert de VN dit jaar de aandacht voor de Nieuwe Internationale Economische Orde Het zat er aan te komen nadat het rabiate marktfundamentalisme met de crisis in het zwaard van zijn eigen ongeloofwaardigheid was gevallen, maar het leek er sinds oktober 2008 op dat de G20 de geest van reformisme weer terug in de fles van Bretton Woods hadden weten te proppen.

Nee dus: de vlag van de structurele verandering is weer geheven: recentelijk heeft Ban Ki-moon er een stuk over afgescheiden. Dat zal in New York worden bediscussieerd rond 20 oktober. Wie weet, gaat men daar toch weer achter die vlag aan lopen – ik hoop het.

De Nieuwe Internationale Economische Orde (NIEO) was een thema in de vroege jaren ’70. In reactie op de wijder wordende kloof tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden, de oliecrisis en de algemene zorg over hulpbronnenschaarste en ontwikkeling nam de VN een “Verklaring inzake de vestiging van een NIEO” aan en een bijbehorend actieprogramma, aangenomen op 1 mei -jawel! – 1974. Daarin werd een kader gezet van: internationale samenwerking, nu ook vanwege het belang van hulpbronnen voor toekomstige generaties, op basis van wat sinds de VN-milieuconferentie van 1992 “common but differentiated responsibilities” wordt genoemd, gericht op wat sinds 1987 (het rapport aan de VN: “Our Common Future”) “duurzame ontwikkeling” zou gaan heten. De oude orde (die van Veiligheidsraad, Wereldbank/IMF, en GATT) moest worden vervangen of aangevuld. De NIEO-verklaring sprak van de noodzaak de soevereiniteit van landen over hun natuurlijke hulpbronnen en economische activiteiten te garanderen, inclusief het recht om hulpbronnen eventueel te nationaliseren en de activiteiten van transnationale ondernemingen te reguleren; revisie van de structuren inzake handel, het internationale monetaire systeem, etcetera. Op verzoek van de Club van Rome werkten Tinbergen e.a. dat uit in ruim 350 bladzijden (1976: Naar een Rechtvaardiger Internationale Orde: een rapport aan de Club van Rome, Agon Elsevier, Amsterdam). Ze beklemtoonden de noodzaak van institutionele hervormingen en bewerktuiging van greep op de markt en marktpartijen. Ze ontwikkelden concrete voorstellen inzake de internationale monetaire orde, inkomensverdeling, schulden, voedselproductie, industrie- en handelsbeleid, transnationale ondernemingen.

Het werd, al met al, een flop. Het neoliberale mondialiseringproject had andere noten op zijn zang, en we zagen de instituties eerder verdampen dan dat we ze sterker zagen worden. Met alle gevolgen van dien, voor ongelijkheid en marginalisering, verminderende participatie en toenemende onduurzaamheid. Toen bovendien de huidige economische crisis onmiskenbaar werd (oktober 2008), zagen zelfs de smaakmakers in en rond de G20 (de Bank en het Fonds, en andere) in dat er beter kon worden gezocht naar een soort van “green new deal” om een paar van die vervelende vliegen met één klap te verdelgen. Maar dat was men een half jaar later weer vergeten, en zelfs uit Bazel komt nauwelijks correctie op de financiële sector.

Maar dan nu, eindelijk weer eens als teken van hoop, is er het rapport van Ban Ki-moon. Hij geeft, op verzoek van de Algemene Vergadering, een aantal obstakels op de weg naar “equitable and inclusive sustained economic growth and sustainable development” en de rol van de VN “in het licht van de NIEO”. Ban heeft het over klimaatverandering, de voedselcrisis, de ontwikkelingsperikelen, de recessie. Hij benoemt hobbels op de terreinen van internationale handel, buitenlandse investeringen, technologie en eigendomsrechten, internationale financiering, en – dat is misschien wel het interessantste – de tekort schietende mogelijkheden voor internationale besturing van het economische proces. Het stelt de liberalisering en structurele “aanpassing” volgens recepten van Bank en Fonds van het eind van de vorige eeuw aan de kaak, evenals het tekortschieten van de internationale milieuverdragen om duurzaamheid te helpen realiseren. Aangehaald wordt, dat de wereld zich in de Doha Declaration van 2008 opnieuw had gecommitteerd aan een “fully inclusive and equitable global economic system”. Dat is nogal wat! Juist ook, omdat men op deze manier een onderscheid maakt tussen het economische proces (van productie, transport, handel, investeringen, consumptie) en wat daaruit komt enerzijds, en de institutionele systeemkenmerken anderzijds. In een kritisch-economisch perspectief bekeken, zijn dat natuurlijk twee heel verschillende (en allebei noodzakelijke) verhalen. Het stuk van Ban Ki-moon is beter in de diagnose en de analyse dan in het aangeven van alternatieven, maar misschien wil hij de AV –commissie die zich over zijn stuk gaat buigen zo uitlokken om te vragen naar een volgend rapport over mogelijke oplossingsrichtingen.

Ik hoop dat men inderdaad vanaf eind oktober op dit punt achter Ban Ki-moon gaat aanlopen. Meedenken (en duwen) vanuit maatschappelijke bewegingen (zoals bij ons bijvoorbeeld het Platform voor een Duurzame en Solidaire Economie) en kritische maatschappijwetenschappers zou ongetwijfeld geen kwaad kunnen.

(Hans J.B. Opschoor)