27 augustus 2010, Theo Ruyter (redactie)

‘De Krisiscaravaan’, de keerzijde van noodhulp

-recensie-

Ontluisterend...

Titel: ‘De Crisiskaravaan’ (2008)
Auteur: Linda Polman
Uitgeverij: Balans
ISBN:978 90 5018 973 6.
Prijs:17,95

Het boek De Krisiscaravaan van journaliste Linda Polman is weer actueel nu Giro 555 met het collectemandje rondgaat voor Pakistan. Wie bang is weer een illusie armer te worden over noodhulp moet deze recensie niet lezen en zeker niet het boek kopen. Polman geeft een ontluisterend kijkje achter de schermen van de noodhulp.

Polman vraagt zich af: is humanitair ingrijpen altijd en overal een heilig moeten of moeten we grenzen stellen en de hulpverleners desnoods terugtrekken? Die vraag stelt ze aan allen diebetrokken zijn bij noodhulp op plaatsen waar mensen het slachtoffer zijn geworden van natuur- of oorlogsgeweld.

De schrijfster komt meteen met het voorbeeld van een vluchtelingenkamp voor Hutu’s bij de Oost-Congolese stad Goma, dat in 1995 de best gefinancierde humanitaire operatie ter wereld was.  Daar kon alles. Het heette in vakkringen niet voor niets een hulpsupermarkt. Tegelijkertijd was het een ‘totale ethische ramp’ (p.35) , waar uiteindelijk – na ruim twee jaar – door een Tutsi-leger uit Rwanda een eind aan werd gemaakt.

Idealisten en avonturiers

De titel van het boek slaat op het nog altijd groeiend aantal organisaties (250 in dat kamp bij Goma),  die op rampen afkomen om hulp te verlenen en na gedane arbeid verder trekken om in het ene na het andere rampgebied hun tenten op te slaan. Het is een wereld van idealisten en avonturiers, machtige organisaties en kleine groepjes weldoeners.  Het zijn medewerkers van VN-organisaties en donorregeringen en – niet te vergeten – het personeel van lokale partnerorganisaties en  onderaannemers.

Na haar schets van Goma-1995 belicht Polman de noodhulpindustrie vanuit zeven invalshoeken. Ze behandelt achtereenvolgens: De koortsachtige jacht van NGO’s op donors en andere fondsen. De beweging van goedwillende eenlingen (My Own NGO’s) die  proberen op te boksen tegen de grote doorgewinterde organisaties. De ‘donor darlings’  waar iedereen mee wil pronken. De hulp als bron van inkomsten voor oorlogvoerende partijen. De militairen die als vluchteling vermomd  in de kampen hun strijd voortzetten. Het al of niet leveren van voedsel als drukmiddel en de manier waarop plaatselijke autoriteiten hulpverleners  kunnen manipuleren.

Vervolgens komen die invalshoeken samen in een hoofdstuk over Afghanistan, het op  Irak na grootste Amerikaanse ‘hulpproject’ sinds het Marshall Plan na de tweede wereldoorlog waarin ook bondgenoten zoals Nederland tot over hun oren in zijn weggezakt. Daarnaast behandelt Polman ‘de logica van het humanitaire tijdperk’  waarin de willekeur van de hulp als ‘een gunst die wordt verleend als het donoren uitkomt’ (p. 152) centraal staat. Als toetje krijgt de lezer nog een zeer nuttige, meer dan 40 pagina’s lange, woorden- en begrippenlijst opgediend, ingeleid door een tafelgesprek van Nederlandse hulpverleners in 2007 in Afghanistan (p.174). Dat gesprek geeft meer inzicht in hoe in die de hulpindustrie wordt gedacht over de eigen bedrijfstak.

Feestje

Polman heeft als journalist in de loop der jaren tal van plaatsen bezocht, waar de karavaan ooit langskwam. Ze presenteert zich dan ook als ooggetuige en weet allerlei situaties zeer overtuigend    te beschrijven, soms zo overtuigend dat het hartverscheurend wordt wat je als lezer voor je ziet. Dat laatste geldt wat mij betreft  in ieder geval voor de verhalen over Sierra Leone, waar bijvoorbeeld de zogenaamde geamputeerdenfactor heeft gespeeld (rebellen die burgers toetakelden om aandacht van de buitenwereld af te dwingen) en waar in 2001 een feestje werd gevierd omdat het land opnieuw was uitgeroepen tot het armste land ter wereld.

Belangrijker nog dan het overweldigend feitenmateriaal op zich is de manier waarop de auteur dat heeft geordend. Ze doet dat op een manier die patronen en mechanismen zichtbaar maakt. Voor een deel sluit ze daarmee aan bij discussies in het verleden, sinds Florence Nightingale en Henri Dunant in het midden van de 19e eeuw de degens kruisten over de grenzen van hun humanitaire werk. Met name komt daarin naar voren de spanning tussen humanitaire hulp en politiek.

Ook nu nog wast de internationale humanitaire gemeenschap maar al te graag haar handen in onschuld, wanneer het gaat over de oorzaken en gevolgen van oorlogsgeweld. Dat is een zaak van de politiek, is de gebruikelijke dooddoener. Zelfs de mogelijk schadelijke gevolgen van de verleende hulp worden bij voorkeur afgeschoven op de politiek, want die heeft  besloten tot interventie en de hulpverleners zijn nu eenmaal slechts uitvoerders. En dat werkt perfect, want Polman constateert: ”Voor zover ik weet, is nog nooit een hulpverlener of een hulporganisatie voor de rechter gesleept wegens falen of fouten, laat staan voor medeplichtigheid aan misdaden van rebellen en regimes.”(p.168)

Journalistiek

Een ander patroon dat Polman blootlegt is de symbiose van hulpindustrie en journalistiek. Zo kritisch als journalisten in eigen land kunnen zijn, zo gemakkelijk laten zij zich vaak inpakken door hulporganisaties die in het buitenland actief zijn en dan vooral wanneer het om noodhulp gaat. De twee hebben elkaar nodig om te scoren en niemand kijkt er meer van op dat dan aan een van beide (of beide) kanten de waarheid geweld wordt aangedaan. (p.171)

Linda Polman heeft met dit boek een genadeloos portret gemaakt van een bedrijfstak, die zichzelf op een voetstuk heeft geplaatst en waar velen nog altijd geen kwaad woord over willen horen.

Theo Ruyter

© Wereldburgers.TV

Vond u dit een nuttig artikel? Doneer.

Bestel dit boek

Bestel dit boek