Ambassadeur over verspilling ontwikkelingsgeld
-recensie-
Titel: ‘Verloren in Wanorde’ (2010)
Auteur: Karel van Kesteren
Uitgeverij: KIT Publishers
ISBN: 9789460220982
Prijs: €19,50
Een felle aanklacht van de chaos in de totale internationale hulpverlening, waar miljarden worden verspild vanwege de overvloed aan donoren die elkaar in de weg zitten en die hun doelgroepen tot wanhoop drijven. Dat is, kort gezegd, de kern van de memoires van H.M. ambassadeur in Bulgarije Karel van Kesteren, die deze maand verschenen zijn onder de titel ‘Verloren ín wanorde’.
Het boek beschrijft een periode van ruim 30 jaar, vanaf 1974 toen de auteur werd aangenomen op het ministerie van buitenlandse zaken (BZ) tot het aantreden van het vierde kabinet-Balkenende in februari 2007. In die periode werkte hij afwisselend als ambassademedewerker in Colombia, Nicaragua, Spanje en Tanzania en als ambtenaar in Den Haag. Hij beschrijft dan ook, met een schat aan concrete voorbeelden en anekdotes, hoe hij door schade en schande wijs geworden is.
Eilandjes
Een van de eerste lessen die hij leerde was dat de – nog altijd in allerlei kringen zeer populaire – projectfinanciering maar al te vaak uitloopt op wat hij noemt ‘mooie eilandjes die, na het vertrek van de donor, weer verzwolgen worden door de omringende oceaan van armoede en gebrek aan capaciteit’. Vandaar ook dat hij in de loop van de jaren een uitgesproken voorstander is geworden van algemene begrotingssteun, dat wil zeggen ongebonden financiële bijdragen aan de begroting van een land.
Een andere stelling die hij betrekt is dat bilaterale hulp, dat is hulp van land tot land, plaats zou moeten maken voor multilaterale hulp. Bij deze laatste vorm van hulp spelen internationale instellingen een belangrijke rol. Donorlanden als Nederland verstrekken dan bijvoorbeeld geld aan een in landbouw of onderwijs gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties (VN) en die bepaalt dan in welke landen dat geld wordt ingezet.
Verspilling
Zowel begrotingssteun als multilateralisering van de hulp ziet Van Kesteren als een stap vooruit, wanneer het erom gaat de gigantische verspilling in de internationale hulpindustrie een halt toe te roepen. Toen hij ambassadeur was in Tanzania (2005-2009), telde hij dertien VN-instellingen met een eigen kantoor ter plaatse, een tiental andere multilaterale instellingen (of dochters daarvan), zestien westerse en een aantal nieuwe donorlanden met hun eigen ambassades en andere organisaties en – ook dat nog – duizenden particuliere organisaties uit de hele wereld, van schatrijke filantropische bedrijven als de Bill and Melinda Gates Foundation tot eenlingen met hun eigen goede doel.
Tanzania was niet voor niets een soort proeftuin voor de afspraken tussen donoren en ontwikkelingslanden, die in 2005 werden vastgelegd in de z.g. Verklaring van Parijs over Effectiviteit van de Hulp. Wat dat betreft kwam de auteur op het eind van zijn ambtsperiode tot de conclusie dat de versnippering van de hulp eerder groter dan kleiner geworden was, dat minstens de helft van alle hulp aan het land zich nog altijd aan elke vorm van coördinatie onttrok en dat vier jaar lang overleg over een betere werkverdeling ‘zonder bijster veel resultaat’ gebleven was. De belangrijkste reden was tegenwerking aan de zijde van de donoren. In dat opzicht geeft Van Kesteren ook herhaaldelijk zijn collega’s in Den Haag een veeg uit de pan.
Impuls
Een prettige bijkomstigheid van het boek is dat Van Kesteren kan schrijven en weet hoe hij ingewikkelde dingen moet uitleggen. Als criticus van de hulpindustrie neemt hij een aparte plaats in, want zijn motto is ‘niet minder wel beter’ en gezien zijn aanbevelingen in het slothoofdstuk heeft hij ondanks alles de hoop niet opgegeven dat donoren ooit hun leven zullen beteren. Het boek zou wel eens een belangrijke impuls kunnen zijn voor het debat over de hulp, dat de verschijning van het WRR-rapport ‘Minder pretentie, meer ambitie’ dit jaar op gang heeft gebracht.
© Wereldburgers.TV
Vond u dit een nuttig artikel? Doneer.







Reageer